
Naam: Henri Désiré Landru
Bijnaam: De blauwbaard van Gambais
Geboren: 12 april 1869, Parijs Frankrijk
Overleden: 25 februari 1922
Aantal moorden: 11+
Straf: Doodstraf
Jeugd
Henri Désiré Landru wordt geboren op 12 april 1869 in Parijs. Zijn vader Julien Landru is ovenstoker in een fabriek en moeder Flore Henriquel naaister. Henri wordt opgevoed als een vrome katholieke jongen. Hij gaat naar een katholieke school en is elke zondag misdienaar in de kerk.
Na zijn middelbare school gaat hij in militaire dienst, die vier jaar duurt. Rond diezelfde tijd krijgt hij een relatie met Marie-Catherine Rémy, een wasvrouw uit Parijs. Al snel wordt hun eerste kind geboren, Marie. Als Henri klaar is in het leger trouwen ze en krijgen in de jaren erna nog drie kinderen, Maurice Suzanne en Charles. Terwijl Marie-Catherine hard aan het werk is als wasvrouw, lukt het Henri maar niet om een baan vast te houden. Hij gaat aan de slag als meubelverkoper, accountant, maker van speelgoed en assistent op een architectenbureau. Elke baan houdt hij maar een paar maanden vol. Naar eigen zeggen is hij bij zijn laatste baan op het architectenbureau beduveld door zijn werkgever. Hij zou ervan door zijn gegaan met al het spaargeld van Henri en naar het buitenland zijn vertrokken. Andere bronnen melden, dat Henri helemaal geen spaargeld had en waarschijnlijk zelf een schuld had bij zijn baas, die hij niet terug kon betalen, waarna hij ontslagen werd.
Henri wil maar één ding: uitvinder worden. In 1898 ontwerpt hij een motor, die hij Le Landru noemt. Maar in plaats van deze op de juiste manier te ontwikkelen, zegt hij tegen investeerders, dat hij al een fabriek heeft. Het geld, dat zij investeren in zijn fabriek strijkt hij zelf op.
In de jaren erna gaat hij gevangenis in en uit. De ene keer voor het betalen met valse cheques, de andere keer voor oplichten investeerders of rijke vrouwen. Zijn grootste oplichtingszaak vindt plaats in 1913. Hij vertelt investeerders over een autofabriek, die hij zou hebben en haalt met dit verhaal een bedrag van 35.000 frank binnen. Met dit geld slaat hij op de vlucht. In 1914 wordt hij bij verstek veroordeeld tot vier jaar dwangarbeid en een levenslange verbanning naar Nieuw-Caledonië, een kolonie van Frankrijk dichtbij Australië.
Doordat hij gevangenis in en uit ging en nu op de vlucht is, raakt hij steeds meer vervreemd van zijn gezin. Hij ziet zijn vrouw en kinderen nog wel, maar kan nooit lang bij ze blijven, uit angst om opgepakt te worden.
Misdaden
Rond diezelfde tijd breekt de eerste wereldoorlog uit. Honderdduizenden Franse jongens en mannen worden naar het front gestuurd, waar velen van hen sneuvelen. Henri ziet hierin een gouden kans. Gesneuvelde soldaten laten eenzame weduwes achter. Velen van hen zijn op zoek naar de stabiliteit van een nieuwe man. Dus waarom niet een paar huwelijksadvertenties plaatsen? Eenzame wanhopige vrouwen zullen zijn mooie verhalen snel willen geloven en hij weet van zichzelf dat hij heel charmant kan zijn. Zo plaatst hij op 1 mei 1915 een huwelijksadvertentie in Le Journal met de tekst: ‘Weduwnaar met twee kinderen, 43 jaar, comfortabel inkomen, aanhankelijk, serieus en bewegend in een goed milieu, wenst weduwe te ontmoeten met het oog op een huwelijk’.
Zoals verwacht krijgt hij binnen no time honderden brieven. Hij maakt drie stapeltjes: ‘moet beantwoord worden’, ‘kan weggegooid worden’ en ‘heeft nader onderzoek nodig’. Op de eerste stapel komen de brieven van ogenschijnlijk naïeve vrouwen met veel geld of bezittingen, op de tweede stapel de brieven van arme vrouwen, op de derde stapel komen de brieven van vrouwen die interessant lijken, maar waarvan hij niet weet of ze voldoende bezitten.
Vervolgens bedenkt hij een lijst met aliassen. De namen, die hij het vaakst gebruikt zijn Raymond Diard, Georges Frémyet, Lucien Guillet en Monsieur Dupont. Daarna kan het echte werk beginnen. Eén voor één schrijft hij de vrouwen terug. Met sommigen correspondeert hij maanden, met anderen heeft hij al na de eerste brief een date. Om zich niet te vergissen, schrijft hij op welke alias hij bij welke vrouw gebruikt en welk verhaal hij hen op de mouw gespeld heeft. Soms heeft hij wel zes of zeven dates per dag, dus zorgvuldigheid en een goede administratie is van belang.
Het daten gaat hem zo goed af, dat hij binnen een paar maanden in december 1914 een huis huurt in Vernouillet, een dorp net buiten Parijs. Hier kan hij zijn slachtoffers mee naar toe nemen om ze stuk voor stuk te laten verdwijnen. Hun bezittingen verkoopt hij, eventuele aandelen neemt hij over en hij plundert de bankrekeningen van de vrouwen.

De buren van Henri in Vernouillet beginnen te klagen over stankoverlast en zwarte rookpluimen uit zijn schoorsteen. Het zou stinken naar verbrand vlees. Henri neemt geen risico en huurt een andere villa, dit keer in Gambais, een dorp ten westen van Parijs. Deze villa staat verder weg van het dorp, waardoor hij meer privacy heeft.
Tegelijk heeft hij ook zijn appartement in Parijs. Hij moet tenslotte blijven daten om nieuwe geldbronnen aan te kunnen boren. Bovendien wil hij zijn vrouw en kinderen kunnen blijven bezoeken én wil hij genieten van zijn minnares Fernande Segret.
De volgende moorden worden aan Henri Landru toegeschreven:

Jeanne-Marie Cuchet (39), een aantrekkelijke Parijse lingerienaaister die in 1909 weduwe werd,ontmoette Henri voor de oorlog, waarschijnlijk in 1914. Hij gebruikte toen de alias ‘Raymond Diard’ en beweerde een postinspecteur of industrieel uit Lille te zijn die door de oorlog werd verdreven.Hij charmeerde Jeanne en beloofde een huwelijk en een veilige toekomst voor haar en haar onwettige zoon, André(toen 16 of 17). Jeannes zus en zwager wantrouwden ‘Diard’, maar Jeanne verwierp hun zorgen. Nadat Henri kort verdween bij het uitbreken van de oorlog, bezocht een radeloze Jeanne, vergezeld door André en haar zwager, Henri’s lege huis in de buurt van Chantilly. Daar vonden ze papieren die zijn echte identiteit onthulden.Ondanks dit en ruzies over zijn terughoudendheid om te trouwen, verzoende Jeanne zich met hem toen hij weer verscheen. Toen haar familie haar bleef waarschuwen, verbrak ze de banden met henen verhuisde in december 1914 met André naar Henri’s gehuurde villa in Vernouillet. Jeanne en André werden voor het laatst levend gezien rond 26 januari 1915.Kort daarna meldden buren dikke rook die stonk naar brandend vlees dat uit de schoorsteen van Henri kwam. De politie die kwam onderzoeken, accepteerde Henri’s uitleg dat hij afval verbrandde.Het is vrijwel zeker dat hij hen heeft vermoord en verbrand in zijn kachel. Henri had in juni 1914 5.000 frank (opgeëist als erfenis) gestort, waarvan de politie vermoedde dat het van Jeanne kwam.

Thérèse Laborde-Line (46) een in Argentinië geboren gescheiden weduwe en voormalig hotelier, voelde zich vervreemd van haar zoon en schoondochter.Ze ontmoette Henri in juni 1915, waarschijnlijk via zijn advertentie van 1 mei of een advertentie die ze zelf plaatste. Op 21 juni vertelde ze vrienden dat ze naar het huis van haar ’toekomstige echtgenoot’ zou verhuizen en verkocht ze haar meubels.Ze werd gezien in de villa in Vernouillet, maar verdween na 26 juni 1915.Landru verkocht vervolgens haar effecten en bewaarde wat overgebleven meubels in zijn garage.

Marie-Angélique Guillin (51), een gepensioneerde huishoudster die in de buurt van Gare de Lyon woont,erfde 22.000 frank en reageerde op Henri’s advertentie van 1 mei 1915. Ze geloofde dat hij de consul-generaal van Australië was die een gastvrouw nodig had Ze bezocht zijn villa en keerde dolgelukkig terug.Op 2 augustus verhuisde ze van haar appartement naar Vernouillet. Ze verdween twee dagen later, rond 3 augustus.Landru verkocht haar effecten en nam 12.000 frank van haar bankrekening op.Vanaf augustus werd een koffer achtergelaten op een lokaal treinstation. Maanden later, in februari 1916, merkte het stationspersoneel een vieze geur op. de koffe bevatte de ontbonden stoffelijke resten van een niet-geïdentificeerde vrouw van middelbare leeftijd.

Berthe-Anna Héon(55), een weduwe oorspronkelijk uit Le Havre die als schoonmaker in de buurt van Parijs werkte, is haar man, minnaar, zoon en dochter verloren in de oorlog. Ze reageerde op Henri’s advertentie in de zomer van 1915.Henri, die zich voordoet als een zakenman die een vrouw zoekt voor een verhuizing naar Tunesië,overtuigde haar om haar bezittingen te verkopen.Op 8 december 1915 kocht hij treinkaartjes naar Gambais: een retourtje voor zichzelf, een enkeltje voor haar. Berthe-Anna verdween kort daarna en is vermoedelijk vermoord en verbrand in de oven.Landru stuurde later ansichtkaarten naar haar vrienden en beweerde namens haar te schrijven.

Anna Collomb (44), een intelligente, aantrekkelijke weduwe die als typiste van een verzekeringsmaatschappij werkte, had 10.000 frank gespaard.Ze had een partner, maar kon niet met hem trouwen.Ze beantwoordde Henri’s advertentie van 1 mei 1915. Henri stelde de ontmoeting uit tot 1916 vanwege andere dames.Toen ze elkaar eenmaal hadden ontmoet, gaf Anna al snel de voorkeur aan Henri boven haar bestaande partner.Haar familie wantrouwde Henri. Anna’s zus bezocht het echtpaar in Gambais op 14 december. Anna Collomb verdween na 27 december 1916.

Andrée Babelay (19) werkte als huishoudster en vulde haar inkomen aan met sekswerk. Henri kwam haar begin 1917 huilend tegen op een Parijs metrostation nadat ze van huis was weggelopen na een ruzie met haar moeder.Hij nodigde haar uit in zijn appartement in de buurt van Gare du Nord, waar ze een paar dagen is verbleven. Op 11 maart bezocht ze haar moeder en kondigde aan dat ze ging trouwen. Op 29 maart nam Henri haar mee naar Gambais (retourticket voor hem, enkeltje voor haar). Andrée verdween na 12 april 1917.

Célestine Buisson (47) is een huiselijke, vertrouwende, semi-geletterde en zuinige weduwe. Ze had ongeveer 10.000 frank gespaard van het hotelbedrijf van haar overleden echtgenoot.Eenzaam nadat haar onwettige zoon was gemobiliseerd, beantwoordde ze Henri’s advertentie van 1 mei 1915. Ze waren snel ‘verloofd’, maar Henri stelde het huwelijk meer dan twee jaar uit, waarbij hij verloren documenten en verzonnen zakenreizen naar het buitenland de schuld gaf. ]Hij verscheen weer in juli 1917. Ze kwamen dichter bij elkaar nadat hij had geholpen bij de begrafenis van haar zus. Daarna vroeg hij haar opnieuw ten huwelijk.Haar familie vond hem ontwijkend en verdacht, maar kon Célestine niet beïnvloeden.Ze vertrouwt haar zoon toe aan haar halfzus, Marie Lacoste en verhuisde met Henri naar Parijs. Op 19 augustus vertrokken ze naar Gambais, waar ze verdween na 1 september 1917.Het banksaldo van Henri steeg al snel met 1.000 frank.Hij keerde later terug naar haar appartement, liet de conciërge een vervalste machtigingsbrief zien, beweerde dat Célestine een kantine runde voor Amerikaanse troepen in het zuiden en verkocht haar meubels.

Louise Leopoldine Jaume (38) is een vrome katholieke kleerwinkelbediende en onlangs gescheiden.Ze ontmoette Henri (als ‘Lucien Guillet’, een vermeende vluchteling uit de Ardennen) via een huwelijksbureau in de zomer van 1917. Ze verzette zich aanvankelijk tegen zijn avances vanwege haar geloof, maar accepteerde uiteindelijk zijn voorstel nadat hij de mis met haar in Sacré-Cœur had bijgewoond. Henri nam haar op 15 november 1917 mee naar Gambais. Ze verdween rond 26 november 1917.Hij haalde op 30 november 1.400 frank van haar bankrekening.

Anne-Marie Pascal (36) werkte als naaister en hield zich mogelijk bezig met sekswerk. Ze reageerde op Henri’s advertentie in La Presse in september 1916 en werd zijn minnares. Ze uitte haar angst voor Henri in een brief aan haar tante dagen voordat ze verdween: ‘Ik weet niet wie hij is, maar ik ben bang. Als hij me met die ogen aankijkt, rilt het me. Er is iets demonisch aan hem.’ Op 5 april 1918 nam Henri haar mee naar Gambais. Henri en zijn zoon Charles verkochten later haar meubels.

Marie-Thérèse Marchadier (37) oorspronkelijk uit Bordeaux verdiende haar geld met sekswerk. Ze stond bekend om het uitlaten van haar twee geliefde Belgische Griffon-honden.Ze zette een advertentie om haar meubels te verkopen en Henri reageerde hierop. Hij vroeg haar ten huwelijk toen ze zei dat haar enige wens was om op het platteland te wonen.Hij nam haar mee naar Gambais op 9 januari 1919. Ondanks haar sterke wil stemde ze ermee in om samen te leven en haar meubels te verkopen, en ontving ze 2.000 frank nadat ze kort naar Parijs was teruggekeerd.[45]Op Ze verdween op 13 januari 1919. Drie dagen later meldden buren een vieze rook uit de schoorsteen van de villa.
Arrestatie en rechtszaak
In oktober 1917 ontvangt de burgemeester van Gambais een brief van Victorine Pellat. Gambais is een dorp met een paar honderd inwoners, dat zo’n 60 kilometer ten westen van Parijs ligt. Een paar maanden eerder, in december 1916, is Victorines zus Anna Collomb verdwenen. Ze zou trouwen met ene meneer Georges Frémyet, die in dit dorp woont. Victorine was half December bij de geliefden op bezoek geweest in het huis van Georges Frémyet in Gambais. Sindsdien heeft ze niets meer van Anna vernomen en ze maakt zich zorgen om haar zus.
Rond die tijd is Frankrijk in de greep van de eerste wereldoorlog. Duizenden soldaten sterven in de loopgraven, dus de burgemeester heeft wel iets anders aan zijn hoofd, dan de vermissing van een jonge vrouw. Hij legt de brief naast zich neer zonder er verder nog aandacht aan te schenken.
Twee jaar later in 1919 krijgt de burgemeester van Gambais weer een brief. Deze is ook afkomstig van een bezorgde zus. Marie Lacoste schrijft, dat haar zus Célestine Buisson zou verblijven bij ene meneer Georges Frémyet, die in Gambais zou wonen. Ze heeft al twee jaar niets van haar gehoord en vraagt de burgemeester om hulp. De oorlog is inmiddels voorbij, dus er is meer ruimte voor andere zaken. De secretaresse van de burgemeester bewaart altijd netjes alle post, die haar baas ontvangt. Als ze de brief van Marie Lacoste wil archiveren vindt ze de brief uit 1917 terug, die ook over een vermiste vrouw gaat die voor het laatst is gezien met Georges Frémyet in Gambais.
De burgemeester vergelijkt de brieven en weet zeker, dat de brieven met elkaar te maken hebben. Maar het vreemde is, dat er geen meneer Frémyet in Gambais woont. In beide brieven wordt er gesproken over een man met een zwarte baard. De enige man in het dorp, die aan die beschrijving voldoet is iemand, die een huis huurt net buiten het dorp. Omdat hij niet zomaar een een huis kan binnenvallen brengt hij Victorine en Marie met elkaar in contact en adviseert hen om contact op te nemen met de politie.
Rechercheur Jules Belin uit Parijs wordt op zaak gezet. Hij reist af naar Gambais om onderzoek te doen. Het eerste wat hij doet is de bewoners van het dorp ondervragen. Zij wijzen allemaal naar het huis net buiten het dorp. Dit huis wordt gehuurd door ene meneer Dupont, die ook de namen Frémyet, Guillet en Diard. Dat vinden de inwoners van het dorp mysterieus. Maar het was hen ook opgevallen, dat er een enorme oven werd bezorgd met grote hoeveelheden kolen toen hij er net kwam wonen. De man is niet dagelijks in de woning, maar als hij er wel is, gaat hij elke keer met een andere vrouw aan zijn zijde naar binnen. Wat het nog vreemder maakt is dat hij altijd alleen weer vertrekt. De vrouwen werden nooit meer gezien. De luiken aan de straatkant zijn altijd gesloten, ook als meneer wel thuis is.
Ook vertellen ze Jules Belin over een vreemde geur die uit de schoorsteen komt. Het is een vieze, zelfs misselijkmakende geur. De inwoners van het dorp vertellen hem over een brand die jaren geleden in het dorp heeft gewoed. Destijds is een inwoner van het dorp levend verbrand toen hij in slaap was gevallen naast de open haard. De geur die toen in het dorp hing is dezelfde geur, die regelmatig bij meneer Dupont uit de schoorsteen komt. De stank van verbrand mensenvlees.
Jules Belin gaat met deze informatie terug naar Parijs. In opdracht van de officier van justitie richt hij een rechercheteam op, die deze zaak gaat onderzoeken. Het team krijgt de naam ‘Tijgerteam’.
Dan komt in april 1919 Marie Lacoste, de zus van Célestine op het bureau. Een vriendin van haar heeft de man, die zijn kennen als Georges Frémyet, zien lopen in Parijs. Hij was innig gearmd met een jonge vrouw aan het winkelen in de Rue de Rivoli. Ze zag hem de winkel Lion de Faïence binnengaan.
Jules bedenkt zich geen moment en gaat naar de betreffende winkel. De verkoper kan zich de bebaarde man nog herinneren. Hij had zojuist een tafelservies gekocht. Gelukkig voor Jules heeft de bebaarde man een visitekaartjes achtergelaten in de winkel, zodat zij het servies bij hem thuis kunnen komen brengen. Hierop staat de naam Lucien Guillet, maar belangrijker nog, er staat een adres op: 76 Rue de Rochechouart.
Jules neemt direct contact op met de officier van justitie voor een arrestatiebevel. Pas rond middernacht krijgt hij witte rook om het appartement van de bebaarde man binnen te gaan. Hij wil niet ‘s nachts het appartement binnenvallen, maar wil ook niet dat zijn doelwit de kans krijgt om te vluchten. Jules besluit om de nacht door te brengen voor de deur van nummer 76 aan de Rue de Rochechouart. Rond 9 uur ’s ochtend voegen twee agenten zich bij hem. Jules klopt drie keer hard op de deur. Hij hoort een man kreunen aan de andere kant van de deur. Er is dus iemand thuis, maar de man lijkt het te gezellig te hebben. Jules klopt nogmaals. Hij hoort voetstappen naderen en de man zegt door het sleutelgat, dat hij nog in zijn pyjama is en dat ze later terug moeten komen. Jules vertelt hem, dat hij hem nu moet spreken. De deur wordt geopend en Jules ziet een magere man met een grote zwarte baard en kaal hoofd in zijn pyjama voor de deur staan. Jules en zijn collega’s worden binnengelaten. Niet veel later komt een jongedame in ochtendjas de kamer binnenlopen. ‘Wie zijn jullie?’ schreeuwt ze geschrokken naar de agenten. De bebaarde man zegt dat het allemaal een misverstand is, maar de vrouw is zo geschrokken dat ze flauwvalt. Als ze even later is bijgekomen stelt ze zichzelf voor als Fernande Segret, de minnares van de bebaarde man.
Als ze de woning doorzoeken vinden ze twee notitieboekjes, waarvan er één in de voering van zijn jas is genaaid. Jules arresteert de man, waarvan hij nog steeds niet weet of hij Lucien Guillet of Georges Frémyet heet. Eenmaal op het bureau vraagt hij de man naar zijn naam. ‘Mijn naam is Lucien Guillet en in ben geboren in 1874 in Rocroi’, antwoordt hij. Jules vraagt of hij Anna Collomb en Célestine Buisson kent. Hij knikt bevestigend. Jules vraagt hem wat hij weet over de verdwijningen van deze vrouwen. De man zegt, dat deze vrouwen niet aan zijn zorg zijn toevertrouwd. ‘Als deze vrouwen zijn verdwenen is het niet aan mij om ze te vinden maar aan de politie’, aldus de man. Hij lijkt geen enkele intentie te hebben de politie verder te helpen. Als iemand gearresteerd wordt, kan hij maar 24 uur worden vastgehouden als er geen verdere aanwijzingen zijn voor betrokkenheid bij een misdrijf.
Dus Jules Berlin gaat terug naar het huis van de man, op zoek naar meer bewijs van zijn betrokkenheid bij de verdwijning van Anna en Célestine. Daar vindt hij een huurcontract van een garage. Het huurcontract staat op naam van Henri Landru. Eindelijke hebben ze de ware identiteit van de bebaarde man. Jules heeft geen tijd te verliezen en gaat naar de garage van Henri Landru. Als hij de garage binnengaat ziet hij stapels vrouwenkleding liggen. Ook ziet hij pruiken, haarstukken en kunstgebitten. Daarnaast staat een grote kist. Hierin liggen allerlei documenten die allemaal op naam staan van Henri Landru. Jules gaat naar de archieven van de politie om te kijken of deze naam voorkomt. Dan blijkt dat Henri Désiré Landru talloze misdrijven op zijn naam heeft staan. Dit gaat van diefstal en fraude tot aan misbruik van vertrouwen.
Als Jules Berlin erachter komt dat de bebaarde man niet Lucien Guillet is, maar Henri Landru gaat hij terug naar het bureau om hem te vragen naar zijn ware identiteit. Henri bevestigt zijn identiteit, maar zegt, dat ze nog steeds moeten bewijzen dat hij iets met de verdwijningen van de vrouwen te maken heeft. De rest van de dag blijft Jules proberen om iets van Henri los te krijgen, maar Henri zwijgt. De enige keer dat hij iets zegt is als hij honger heeft. Rond tien uur ’s avonds eet hij een warme maaltijd en daarna legt hij zijn hoofd op het bureau van Jules en valt in slaap.
De volgende ochtend rond 6 uur wordt hij wakker. Henri wordt meteen weer ondervraagd, maar het enige wat hij zegt is dat hij graag ontbijt wil. Jules weet, dat hij niets los zal krijgen en moet zijn bewijs elders vandaan halen.
Hij bekijkt nog eens de twee notitieboekjes, die hij tijdens de arrestatie in zijn woning vond. In het eerste boekje staan spullen die hij heeft verkocht, met de datum waarop ze verkocht zijn en de bedragen, die hij hiervoor gekregen heeft. Van wie deze spullen zijn en hoe hij eraan komt vermeldt het notitieboek niet. Het tweede notitieboekje is een dagboek. Hierin staan ontmoetingen met vrouwen beschreven. Op sommige dagen blijkt hij ontmoetingen te hebben met wel zes of zeven vrouwen per dag. In totaal blijkt het om 283 vrouwen te gaan.
Dan ziet Jules een pagina, waar elf namen met potlood staan opgeschreven. Twee van de namen zijn Anna Collomb en Célestine Buisson. Wie zijn de anderen? En waarom staan juist deze namen bij elkaar? Zijn dit de vrouwen die hij heeft laten verdwijnen?
De volgende dag gaat Jules samen met zijn verdachte naar het huis in Gambais. Het hele huis wordt onderzocht. De tuin wordt uitgegraven, de waterputten leeggepompt, de kelder en de zolder grondig bekeken.
De arrestatie van Henri Landru wordt breed uitgemeten in de pers. Stukje bij beetje nemen familieleden van de vermiste vrouwen contact op met de politie. Uiteindelijk worden de zaken van de elf vrouwen allemaal helder. Waarschijnlijk zijn ze allemaal vermoord door Henri Landru.
De namen zijn bekend, maar Henri zwijgt nog altijd in alle toonaarden. Alle genoemde vrouwen zijn spoorloos verdwenen, maar fysiek bewijs dat ze vermoord zijn of dat Henri er iets mee te maken heeft hebben ze nog steeds niet. Jules Berlin besluit nogmaals af te reizen naar Gambais, waar Henri zijn laatste zeven slachtoffers mee naartoe zou hebben genomen. Dit keer wordt hij vergezeld door forensisch expert dokter Paul. In een schuur in de tuin vinden ze een hoop as, waarin zich kleine stukjes bot bevinden. Zowel de as als de oven in de keuken worden meegenomen naar het laboratorium voor onderzoek. Hier blijkt, dat er zo’n anderhalve kilo aan menselijke bot- en gebitsresten in de hoop as liggen. Deze blijken afkomstig van drie schedels, zes handen en vijf voeten van drie verschillende lichamen. Ook worden er resten van een menselijke schedel gevonden van ongeveer een kilo.
Voor Jules Berlin is het duidelijk. Henri Landru heeft elf mensen vermoord en verbrand in de oven in zijn villa’s in Vernouillet en Gambais. Dit deed hij puur vanuit een financieel motief. Jules denkt voldoende bewijzen tegen Henri te hebben in zijn 7000 pagina’s tellende dossier. Op 7 november 1921 verschijnt Henri Landru voor het Hof van Versailles. De rechtszaak zal drie weken in beslag nemen. De verdediging van Henri is, dat er geen lichamen zijn. Ja, er zijn wat botresten gevonden, maar geen lichamen en wie zegt dat deze botresten van de verdwenen vrouwen zijn. Zonder lichaam geen moordzaak volgens hem. Daar komt nog bij dat, behalve de elf verdwenen mensen, de rest van de 283 vrouwen met wie hij gecorrespondeerd of ontmoet heeft iedereen terecht is. Volgens zijn advocaat zijn de verdwenen vrouwen niet dood. Pas 30 jaar na hun verdwijning kunnen ze dood worden verklaard, dus hoe kan zijn cliënt worden beschuldigd van moord als er geen doden zijn?
Het hoogtepunt van de rechtszaak voor publiek en pers is op 21 november. Dan zal zijn minnares Fernande Segret getuigen. Dat is de dame die in ochtendjas verscheen en flauwviel toen Henri gearresteerd werd. Als Fernande in de getuigenbank plaatsneemt slaat ze haar handen voor haar ogen en barst in tranen uit. De rechter zegt kwaad, dat het hier geen theater is. De rechter vraagt haar wat zij van Henri vindt. Bijna fluisterend zegt ze: ‘Hij is een gepassioneerde man, maar verder heel normaal. Heel normaal.’

Het laatste woord is aan de advocaat en Henri zelf. Zijn advocaat gaat voor de jury staan en zegt: ‘Heren van de jury, wat zou u ervan vinden als er later gezegd wordt dat u hem de doodstraf hebt gegeven, maar dat u zich vergist heeft?’ Het laatste woord van Henri luidt: ‘Ik ben een goede vader en echtgenoot en heb nooit iemand vermoord.’
De jury trekt zich terug om hun oordeel te vellen. Tweeëneenhalf uur later komen ze terug. Henri Landru wordt schuldig bevonden aan elf moorden en veroordeeld tot de doodstraf. De advocaat van Henri doet nog een laatste poging om zijn client aan de doodstraf te laten ontsnappen. Hij weet de jury ervan te overtuigen, dat ze een gratieverzoek tekenen om het leven van Henri te sparen. Dit verzoek wordt echter afgewezen door de president van Frankrijk, Alexandre Millerand.
In de vroege ochtend van 25 februari 1922 vindt de executie plaats buiten de poorten van de gevangenis Saint-Pierre in Versailles. Hoewel duizenden mensen zich hebben verzameld, mogen alleen een aantal journalisten aanwezig zijn. Eén van hen beschrijft de executie als volgt: ‘Landru’s blote voeten maakten een licht geluid op de koude kiezels. Zijn knieën leken hun werk niet te doen. Zijn gezicht werd rood toen hij de angstaanjagende machine zag, de guillotine. Het mes viel in een oogwenk en Landru’s hoofd viel met een doffe dreun in de mand. Een assistent tilde het scharnierende bord op en rolde de hoofdloze romp in een rieten mand, en een misselijkmakende hoeveelheid bloed stroomde eruit. Eén van de assistenten die voor de machine stonden, pakte de mand met de kop, rolde hem als een kool in een andere grote mand en laadde hem snel op een wachtende overdekte kar. Toen Landru op de binnenplaats van de gevangenis verscheen, keek ik op mijn horloge. Toen de kar wegging, keek ik weer op mijn horloge. Er waren nog maar 26 seconden verstreken.’
Aanbevolen
Onderstaande documentaire en onze eigen podcast geven een goed beeld van het leven van Henri Landru.
