
Naam: Jürgen Bartsch
Bijnaam: De Kermis Moordenaar
Geboren: 6 november 1946, Essen Duitsland
Overleden: 28 april 1976
Slachtoffers: 4
Straf: 10 jaar en TBS
Jeugd
Jürgen Bartsch wordt op 6 november 1946 geboren als Karl-Heinz Sadrozinski in Essen in Duitsland. Zijn moeder is de 22-jarige Elisabeth Sadroczinski. Elisabeths man is in 1941 naar het Russische front getrokken en is daar vermist geraakt. Tijdens een korte affaire met de Belgische mijnwerker Adolf Peters wordt in 1946 haar zoon verwekt. De affaire houdt geen stand en de alleenstaande moeder Elisabeth denkt niet voor haar zoon te kunnen zorgen. Het is anderhalf jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en het leven in Duitsland is chaotisch. Ze besluit haar zoon achter te laten in het ziekenhuis. Daar wordt hij aan de zorg van verpleegkundigen overgelaten. Vijf maanden na zijn geboorte overlijdt Elisabeth aan tuberculose. Karl-Heinz verblijft de eerste elf maanden van zijn leven in dit ziekenhuis, waarbij hij niet de constante warmte van een moeder krijgt, maar is overgeleverd aan steeds wisselende verpleegkundigen, die voor hem zorgen. In datzelfde ziekenhuis wordt Gertrud Bartsch opgenomen om haar baarmoeder te laten verwijderen. Zij en haar man Gerhard hebben zelf geen kinderen. Gertrud besluit de elf maanden oude baby mee te nemen naar hun huis in Langenberg, een dorp zo’n 18 kilometer ten zuiden van Essen. Bureau jeugdzorg heeft in eerste instantie twijfels over de adoptie. Daardoor duurt het nog zeven jaar, voordat hij officieel geadopteerd wordt. Zij geven hem de naam Jürgen Bartsch.
Vader Gerhard heeft een slagerij in Essen, waar ook zijn vrouw Gertrud helpt mee in de zaak. Dit zorgt ervoor, dat ze een bescheiden, maar stabiel inkomen hebben. Het echtpaar staat bekend als trouwe kerkgangers, die gerespecteerd worden door hun omgeving. Op het eerste gezicht lijkt dit een goed gezin om in op te groeien, maar achter de voordeur ziet het er toch anders uit. Vader Gerhard is nauwelijks thuis. Hij werkt zo’n zestien uur per dag in de slagerij en de uren, dat hij wel thuis is slaapt hij en moet de rest van het gezin stil zijn. Moeder Gertrud is een koude afstandelijke vrouw. Ze heeft een extreme obsessie met schoonmaken. Jürgen mag geen vriendjes mee naar huis nemen of buiten spelen, uit angst dat haar huis vies wordt. Als ze net een kamer heeft schoongemaakt en de kleine Jürgen komt binnen, dan wordt Gertrud zo boos, dat ze hem klappen geeft. Jürgen begrijpt op zo’n moment niet wat hij fout heeft gedaan. In zijn ogen krijgt hij een pak slaag om niets. Een paar minuten later pakt zijn moeder hem op en knuffelt hem. Jürgen begrijpt het niet. Ook wordt hij regelmatig opgesloten in de kelder van de slagerij, zonder te weten waarom. Hij zit dan tussen de karkassen in een koude ruimte.
Gertrud is niet alleen obsessief schoon wat hun huis betreft, maar ook op het gebied van persoonlijke hygiene. Totdat Jürgen 19 jaar oud is, wordt hij in bad gedaan en gewassen door zijn moeder. Tijdens het baden wordt hij seksueel misbruikt door haar.
Pas op zijn tiende gaat Jürgen naar school. Hij wordt naar het katholiek internaat Christinen-Schuhle in Essen-Rüttenscheid geplaatst. Na twee jaar hebben zijn ouders het idee, dat deze school niet streng genoeg is. In 1958 wordt hij overgeplaatst naar het strenge katholieke internaat van de Salesianer Don Boscos in Rüdesheim am Rhein, zo’n 250 kilometer ten zuiden van Essen. Pas daar ontdekt Jürgen, dat Gertrud en Gerhard niet zijn echte ouders zijn, maar dat hij geadopteerd is. De paters van dit internaat regeren met harde hand. Kinderen worden om niets met stokken geslagen. Er heerst een strenge moraal rondom seks. De kinderen wordt geleerd, dat het des duivels is, vooral als het buiten het huwelijk gebeurt. Juist degene, die hen dit leert, misbruikt hen ook. Jürgen wordt tijdens zijn verblijf in dit internaat seksueel misbruikt door pater Gerhard Pütz. Naar eigen zeggen is hij hier ‘verdorven geraakt’. Na twee jaar kan hij er niet meer tegen en loopt weg. Als hij thuis aankomt en tegen zijn ouders vertelt hoe hij mishandeld wordt, brengen zijn ouders hem toch weer terug. Nog diezelfde maand na de zoveelste stokslagen loopt hij weer weg, maar durft niet terug te gaan naar zijn ouders. Uiteindelijk mag hij in het voorjaar van 1961 terugkeren naar huis.
Eenmaal thuis moet hij bij zijn vader in de slagerij aan de slag. Jürgen leert hoe hij koeien en varkens moet slachten en er vlees voor consumptie van maakt. Hij vindt het vreselijk om dieren te moeten doden, maar heeft geen keus. Naast het slachten zelf helpt hij mensen in de slagerij. Dat gaat hem goed af. Hij is netjes, sociaal en vriendelijk naar de klanten. Zijn ouders hebben besloten, dat hij de opvolger in het bedrijf moet worden of hij dat nou wil of niet.
Als Jürgen vrij is, wandelt hij graag in de omgeving, op zoek naar oude bunkers uit de tweede wereldoorlog. De meeste bunkers zijn uitgegraven in de vele heuvels in het gebied. Ze bestaan uit talloze gangen en kamers, waar de bewoners uit de omgeving konden schuilen als hun huizen werden gebombardeerd door de geallieerden. De bunkers zijn koud, bestaan vaak uit aarde en beton en zijn stikdonker. Voor Jürgen zijn deze plekken meer dan een avontuur. Dolend door de gangen en de kamers krijgt hij donkere fantasieën over het vasthouden en verkrachten van jonge jongens. Hij zou in elke kamer een jongen kunnen opsluiten en ermee doen wat hij wil. Hij kiest één bunker uit, in de buurt van Langenberg, waar hij met zijn ouders woont. Urenlang bestudeert hij de gangen en kamers tot hij precies weet hoe ze in elkaar zitten. Hij ziet de bunker als zijn eigen domein, als zijn eigendom, een plek waar hij verliefd op wordt.
Misdaden
In juni 1961, als Jürgen veertien jaar is, probeert hij voor het eerst zijn fantasie werkelijkheid te laten worden. Hij heeft een methode bedacht om jonge jongens naar de bunker te lokken. Hij wil ze aanspreken op openbare plekken en hen vertellen over de bunkers uit de tweede wereldoorlog. Als ze geïnteresseerd zijn, zal hij ze voorstellen om ze mee te nemen om hen de uitrustingen die er nog liggen te laten zien. Hij probeert dit bij meerdere kinderen uit. Sommigen slaan het af of nemen vriendjes mee. Dan hebben ze een gezellige middag, zonder dat hij zijn fantasieën uitleeft. Maar dan, in juni 1961 gaat een jongen in zijn eentje met hem mee. Het is de twaalfjarige Frank Beck, die ook in Langenberg woont. Jürgen spreekt Frank aan en vertelt hem over de bunker. Frank is enthousiast om het te zien en gaat met hem mee. Wat er precies in de bunker is gebeurd is niet helemaal bekend. Na het bezoek aan de bunker komt Frank trillend van angst en onder de blauwe plekken thuis. Hij vertelt zijn verhaal aan zijn vader Reinhard Beck. Reinhard gaat direct naar de politie en vertelt het verhaal. Hij vertelt hen hoe zijn zoon thuiskwam, in welke bunker hij is aangevallen en dat de dader Jürgen Bartsch is. De beschrijvingen van Reinhard zijn zo precies, dat de politie niet anders kan dan zijn verhaal serieus nemen.
De politie neemt de aangifte op en al snel wordt Jürgen opgepakt. Jürgen komt samen met zijn vader aan op het politiebureau. Gerhard is geschokt als hij hoort, waar zijn zoon van wordt verdacht. Jürgen geeft beleefd antwoord op de vragen van de politie. Hij ontkent niet, dat hij met Frank naar de bunker is gegaan, maar hij heeft een andere uitleg over hoe het is verlopen. Jürgens verhaal is, dat Frank vrijwillig met hem mee is gegaan naar de bunker, en dat ze daar wat aan het ravotten waren. Dat ravotten ging wel heftig, maar dat doen jongens nou eenmaal, zo legt hij uit. Het liep wat uit de hand, maar in zijn ogen was het onschuldig.
De politie moet een moeilijke beslissing maken. Aan de ene kant hebben ze een betrokken vader, die verteld hoe zijn zoon is toegetakeld. Aan de andere kant vertelt een beleefde jongeman, zonder strafblad en uit een gerespecteerde familie, dat het slechts spel was. De verwondingen van Frank zijn duidelijk te zien, maar zouden ook veroorzaakt kunnen zijn door wilde stoeipartij. Er zijn geen verdere getuigen, die meer duidelijkheid kunnen bieden. De politie doet echter geen onderzoek in de bunker of naar de achtergrond van Jürgen. Ook wordt er geen psycholoog of psychiater ingeschakeld. Ze besluiten een aanklacht wegens mishandeling in te dienen. Jürgen moet voor de kinderrechter verschijnen in Wuppertal, maar de zaak wordt wegens gebrek aan bewijs geseponeerd.
Begin 1962 slaagt Jürgen voor zijn examen als slager en gaat als gediplomeerd slager aan de slag in de zaak van zijn vader. Hij is goed in het ontleden van de dieren en goed met de klanten. Bezoekers van de winkel vinden hem vriendelijk, open en beleefd.
In zijn vrije tijd pakt hij weer op, waar hij is gebleven, nadat zijn zaak tegen Frank Beck is geseponeerd. Hij gaat weer op zoek naar jonge jongens om mee te nemen naar zijn bunker. Jürgen heeft zich bedacht, dat het niet handig is om jongens uit Langenberg mee te nemen. Hij wil naar plaatsen, waar niemand hem kent en hij anoniem jonge kinderen kan oppikken. Een kermis zou een goede plek zijn. Daar zijn veel kinderen, het is er druk, waardoor hij niet zo opvalt. De kinderen zijn vaak goedgehumeurd en daardoor eerder te verleiden. Bovendien zitten de ouders vaak in een bierstube aan de rand van het terrein, waarbij ze hun kinderen globaal in de gaten houden, maar hen niet constant in het oog hebben. De drukte, het lawaai en de constante bewegingen van de attracties en mensen zorgt voor een perfecte bescherming. Zo kan hij jongetjes aanspreken, die van de ene naar de andere attractie gaan, zonder dat hij de aandacht van anderen te trekt.
Op 31 maart 1962 gaat Jürgen naar Essen, zo’n vijftien kilometer verderop. Daar is kermis en hij is op zoek naar een volgend slachtoffer. Eenmaal daar gaat hij zorgvuldig te werk. Hij zoekt naar een jonge jongen, die alleen op het terrein is. Geen vriendjes of ouders die hem in de gaten houden. Na een tijdje rond te hebben gekeken ziet hij een jongetje staan bij de botsauto’s. Hij houdt hem een tijdje in de gaten en ziet dat er niemand is, die op het jongetje let. Jürgen gaat er naartoe en begint een praatje over de botsauto’s. Hij stelt zichzelf voor en de jongen zegt dat hij Klaus heet. Klaus zegt, dat hij al in de botsauto’s is geweest, maar dat zijn geld op is. Dat is ideaal voor Jürgen. Hij stelt voor om samen in de botsauto’s te gaan. Na een paar ritjes staan ze uit te hijgen langs de kant. Dan vertelt Jürgen aan Klaus, dat hij een bunker weet, waar misschien wel een schat in ligt. Misschien kunnen ze samen gaan zoeken naar de schat. Klaus is helemaal enthousiast. Hand in hand lopen ze het terrein af en gaan naar de bushalte. Ze nemen de bus naar Langenberg en Jürgen neemt Klaus mee naar de bunker, die hij inmiddels als zijn eigendom is gaan zien.
Wat er precies in de bunker is gebeurd is niet bekend. Het kan zijn, dat Jürgen hem nog dagen, misschien wel weken heeft vastgehouden daar en dat hij er elke dag even langs is gegaan om hem eten te geven. Vast staat is, dat hij Klaus seksueel misbruikt en uiteindelijk vermoordt. Hij neemt het lichaam van Klaus mee naar één van de achterste kamers van het gangenstelsel en laat het daar achter.
Ondertussen is er grote paniek bij de ouders van Klaus. Ze zoeken het hele kermisterrein af op zoek naar hun zoon. Als ze hem niet kunnen vinden gaan ze naar de politie. Er wordt een grote zoektocht op touw gezet, waarbij honderden vrijwilligers de bossen rondom Essen uitkammen. Er wordt gekeken in rivieren of meertjes of ze daar een lichaam vinden. Bezoekers en exploitanten van de kermis worden ondervraagd, maar het loopt op niets uit. De foto van Klaus wordt in alle kranten afgedrukt met een smeekbede van zijn ouders erbij om hun zoon weer thuis te brengen. Ook dit levert geen nieuwe sporen op. De zaak loopt dood.
Jürgen is in de war. Hij heeft heel bewust Klaus meegenomen naar zijn bunker om hem daar te misbruiken. Tegelijk weet hij, dat wat hij gedaan heeft fout is, dat dit niet kan en dat hij het kind pijn heeft gedaan. En dat terwijl het een leuke jongen was. Ze hebben lol gehad, gezellig zitten kletsen en gespeeld in de bunker. Hij snapt niet hoe hij tegelijk van een kind kan houden en het toch kan misbruiken en zelfs vermoorden. Hij kan de drang om een kind te misbruiken en vermoorden niet weerstaan. Hij moet het doen. Hij wil vergeten wat er is gebeurd en gewoon zijn leven weer leven. Ook al is dat een leven, dat niet fijn is. Hij moet bij zijn vader in de zaak werken, wat hij niet leuk vindt. Hij wordt nog steeds mishandeld door zijn moeder en kan het nooit goed doen voor zijn ouders. Wat hij wel wil en hoe hij moet ontsnappen aan de terreur van zijn ouders weet hij niet.
Ruim drie jaar lang weet hij zijn drang om kinderen te misbruiken te onderdrukken. Tot 6 augustus 1965. Jürgen is op het treinstation van Essen en ziet een jongen van een jaar of twaalf zoekend rondlopen. Hij ziet dat de jongen alleen is en hulp kan gebruiken. Hij spreekt het kind aan, stelt zichzelf voor en vraagt of hij hem ergens mee kan helpen. Ze raken in gesprek en Jürgen stelt voor, dat de jongen, die zich voorstelt als de dertienjarige Peter Fuchs, met hem meegaat. Hij neemt Peter mee naar de bunker in Langenberg. Daar verkracht en vermoordt hij hem. Ook zijn lichaam legt hij in één van de achterste kamers van de bunker. Jürgen had zich zo voorgenomen zich op de vlakte te houden, maar hij kon de drang om een jongen te verkrachten niet meer onderdrukken.
Ook na de verdwijning van Peter Fuchs wordt de omgeving waar hij voor het laatst is gezien volledig uitgekamd. Er volgt een politieonderzoek en er is volop aandacht in de media voor de verdwijning. Maar ook hier loopt het spoor dood. De verdwijningen van de beide jongens worden niet met elkaar in verband gebracht, hoewel ze in dezelfde stad verdwenen zijn, nog geen vier jaar na elkaar.
Ruim een week na de moord op Peter Fuchs slaat Jürgen weer toe. Op 14 augustus 1965 bezoekt hij weer de kermis van Essen. Daar ziet hij de twaalfjarige Ulrich Kahlweiss. Net als bij Klaus Jung een paar jaar geleden knoopt hij een praatje aan met de jonge jongen en neemt hem mee naar zijn bunker. Daar verkracht hij hem en slaat hem meerdere malen met een hamer op zijn hoofd. Ulrich overleeft de aanval niet. Ook hij wordt in een kamer in de bunker begraven.
Getuigen hebben gezien, dat Ulrich met een nette jongeman aan het praten was en dat ze samen zijn weggelopen. Niemand heeft er acht op geslagen omdat het geen opvallende situatie was. Er kan dan ook geen goede beschrijving van de dader worden gegeven.
Zo’n negen maanden later, op 6 mei 1966 gaat slaat Jürgen weer toe, weer op de kermis in Essen. Dit keer spreekt hij de elfjarige Manfred Grassmann aan. Hem wacht hetzelfde lot als zijn vorige slachtoffers. Ook hij wordt meegenomen onder het mom van een spannende bunker uit de oorlog waar veel overblijfselen liggen. Manfred wordt verkracht en doodgeslagen met een hamer. Jürgen legt ook zijn lichaam in een kamer in de bunker.
Deze vierde verdwijning, waarvan er drie vanaf een kermis plaatsvonden zorgt voor grote onrust bij ouders van jonge kinderen in Essen. Toch worden de verdwijningen nog steeds als losse incidenten beschouwd door de politie.
Dan is het 18 juni 1966. De 15-jarige Peter Frese ligt op de koude stenen vloer in dezelfde verlaten bunker uit de Tweede Wereldoorlog. Zijn polsen en enkels zijn vastgebonden met touw. Het enige licht, dat hij heeft komt van een kaars, die op een richel is geplaatst. Er druppelt water langs de betonnen muren. De lucht ruikt naar vochtige aarde en roest. Peter ziet hier al uren, sinds Jürgen hem hier naartoe heeft gebracht. Jürgen had beloofd snel terug te komen, maar hij wacht nog steeds. Peter weet zeker, dat als hij niet ontsnapt hij zal sterven in deze koude ondergrondse verlaten plek.
Eerder die dag leek alles normaal. Peter had gezwommen in het zwembad van Wuppertal en was op weg naar huis. Maar dan wordt hij aangesproken op straat door een net geklede jongeman van een jaar of twintig. Hij was vriendelijk en beleefd. Hij stelde zichzelf voor als Jürgen en begon te praten over de lokale geschiedenis en de oorlog. Toen noemde Jürgen iets, wat Peters aandacht trok. Hij zei een verlaten bunker te weten, waar oude militaire uitrustingen waren achtergebleven uit de oorlog. Er zouden oude helmen en misschien zelfs wapens liggen. Maar heel weinig mensen zou hiervan afweten. Ook zou er een schat liggen, die hij graag samen met Peter wil vinden. Peter kan er 50 mark mee verdienen. Voor Peter klonk dit als muziek in zijn oren. Een spannend avontuur, waarbij ze op een soort ontdekkingstocht zouden gaan en waarbij hij ook nog 50 Duitse mark verdient en misschien wel een schat.
Samen nemen ze de bus naar Langenberg. Het was maar een half uurtje met de bus en ze kletsten honderduit. Ze stapten uit bij de juiste bushalte en vervolgden een pad, dat vanuit het dorp naar een beboste heuvel leidde. Jürgen duwde overwoekerde struiken opzij en daarachter bleek een smalle ingang te zijn die in de aarde was uitgehouwen. Toen ze de ingang binnenliepen voelde Peter de koude lucht die van binnen naar buiten stroomde. Ze stapten de donkere ruimte binnen en voelden toen pas echt hoe koel het in de bunker was.
Jürgen deed een kaars en een zaklamp aan en leidde Peter rond. Hij wees hem op kenmerken van de bunker waardoor je kon zien, hoe mensen hier hadden geschuild tijdens luchtaanvallen in de oorlog. Ze liepen door de verschillende gangen en ondergrondse kamers, die allemaal waren afgesloten met zware ijzeren deuren. Peter vond het grappig hoe hard hun stemmen echoden tegen de betonnen muren. Maar toen, uit het niets veranderde alles. Jürgen viel hem opeens aan en voordat hij het doorhad lag Peter op de grond van één van de kamers. Jürgen pakte zijn polsen en bond ze vast. Datzelfde deed hij daarna met zijn enkels. Jürgen vertelde hem, dat hij stil moest zijn en dat hij zo terug zou komen. Hij nam de zaklamp mee, maar liet de brandende kaars achter en wat lucifers achter. De zware ijzeren deur van de ondergrondse kamer viel met een klap dicht.
En nu ligt Peter hier al uren te wachten tot hij terug zal komen. Hij weet dat hij hier wegmoet. Peter sleept zichzelf over de ruwe betonnen vloer richting de kaars. Bij elke beweging snijdt het touw om zijn handen en enkels dieper in zijn huid. Uiteindelijk lukt het hem om de kaars te bereiken. Hij houdt zijn vastgebonden polsen direct boven de vlam. Hoewel de hitte ondraaglijk is, blijft hij volhouden. De vlam brandt in zijn huid en zijn handen en armen zitten onder de blaren. De lucht in de ruimte verandert van de geur van vochtige aarde in de geur verbrand vlees. Alles in hem schreeuwt om zijn handen weg te halen bij de hitte, maar hij volhardt. Dit is de enige manier waarop hij zijn leven kan redden. Stukje bij beetje ziet hij het touw verder smelten en uiteindelijk breekt het. Met zijn trillende verbrande handen verwijdert hij het touw rond zijn enkels. Peter pakt de kaars en gaat op zoek naar de uitgang. Hij weet niet meer welke gangen en kamers ze allemaal hebben doorgelopen. Het zal hem niet gebeuren, dat hij zichzelf eindelijk bevrijd heeft en hij alsnog te laat is met vluchten. De eerste gang, die hij probeert blijkt dood te lopen. Hij probeert de volgende gang. Gelukkig ziet hij aan het eind van deze gang de zware ijzeren deur, waardoor ze een paar uur eerder naar binnen zijn gekomen. Als hij de deur opent ziet hij door de smalle uitgang het schemerende avondlicht. Peter gooit zijn kaars weg en snelt naar de uitgang.
Hij rent het pad af, richting het dorp. Pas als hij in het dorp is en door de ramen van de huizen mensen ziet, voelt hij zich veilig. Hij belt aan bij één van de huizen aan de Heegerstraße en belt daar de politie.
Arrestatie en rechtszaak
Pas de volgende dag is Peter in staat om de politie te vertellen wat hem is overkomen.
Op zijn aanwijzingen rijdt de politie naar de bunker. Daar vinden ze de kaars en de doorgebrande touwen, die het verhaal van Peter bevestigen. Maar ze vinden bewijzen voor veel meer dan alleen de aanval op Peter. Ze zien kinderkleding, die niet van Peter zijn. De politie loopt dieper de bunker in, dan waar Peter is geweest. Daar vinden ze de overblijfselen van vier vermoorde kinderen.
In de dagen erna verkennen forensisch onderzoekers elke gang en kamer van de bunker. Ook doen ze onder deze moeilijke omstandigheden onderzoek naar de overblijfselen, die zijn gevonden. Het blijkt te gaan om de achtjarige Klaus Jung, de dertienjarige Peter Fuchs, de twaalfjarige Ulrich Kahlweiss en de twaalfjarige Manfred Grassmann.
Het nieuws verspreidt zich snel door heel Duitsland. Reporters uit het hele land verzamelen zich in Langenberg. Tv-programma’s worden onderbroken om dit nieuws te vertellen. Iedereen in het dorp, die maar iets wil zeggen wordt geïnterviewd.
Een paar dagen later wordt Jürgen aangehouden. Het was voor de politie niet moeilijk hem te vinden, aangezien Peter Frese, het ontsnapte slachtoffer, gewoon zijn naam wist. De inmiddels negentienjarige Jürgen wordt in een verhoorkamer gezet. De politie stelt eerst wat algemene vragen. Waar woon je? Wat voor werk doe je? Jürgen beantwoordt alle vragen netjes en beleefd. De politie twijfelt of ze wel de juiste dader te pakken hebben. Zo gedraagt een schuldige moordenaar zich normaal niet tijdens zijn verhoor. Dan laten ze hem de foto’s zien van Klaus Jung, Peter Fuchs, Ulrich Kahlweiss en Manfred Grassmann. Ze vragen hem of hij ze kent. Jürgen haalt een keer diep adem en bekent alles. Emotieloos en in nette bewoordingen vertelt hij dat hij de jongens heeft vermoord. Met klinische precisie vertelt hij tot in detail hoe elke ontmoeting heeft plaatsgevonden en wat hij met de jongens heeft gedaan, toen ze eenmaal in de bunker waren. De precieze details van het misbruik en de moorden op de kinderen zijn nooit naar buiten gebracht, uit respect voor de kinderen en hun nabestaanden. Er is alleen bekend, dat hij ze misbruikt heeft en daarna geslagen of gewurgd heeft tot ze dood waren. Ook vertelt Jürgen dat hij jarenlang tientallen kinderen op deze manier heeft benaderd. Dat hij jonge jongens aansprak op straat, op de kermis of op andere openbare gelegenheden. Dat hij hen vertelde over de bunker, soms over een schat in de bunker of gaf hen geld om hen zo mee te lokken. De meeste kinderen wilden niet met hem mee of wilden vriendjes meenemen. Op zo’n moment haakte Jürgen af.
Jürgen vertelt de politie details over de vier slachtoffers, die alleen de moordenaar kan weten. Wat ze aanhadden toen ze met hem mee gingen, waar ze over gesproken hadden onderweg en hoe hun reacties waren. Hij vertelt hoe hij een orgasme kreeg bij elke aanval en moord. De politie is geschokt door bekentenis zelf, maar vooral door de emotieloze manier hoe Jürgen erover vertelt.
Op 27 november 1967 begint het proces tegen Jürgen Bartsch in de rechtbank van Wuppertal. Al in de nacht ervoor staan mensen rijendik voor de rechtbank om een plekje in de rechtszaal te bemachtigen. De nationale en internationale pers is aanwezig. Nog voor de rechtszaak begint willen ze hem interviewen, maar Jürgen buigt zijn hoofd en zegt niets. Tijdens de rechtszaak staat zijn schuld niet ter discussie. De getuigenis van Peter Frese en de bekentenissen van Jürgen zijn overduidelijk. Er wordt nauwelijks gesproken over zijn jeugd, de mishandelingen en het misbruik door zijn moeder of het seksueel misbruik door de pater op de kostschool. Hij wordt als volwassene berecht, ook pleegde hij zijn eerste moord op zijn vijftiende. Drie weken later wordt hij schuldig bevonden aan vier moorden en krijgt levenslang.
In de jaren erna verandert langzaam de publieke opinie rondom Jürgen. Waar hij in eerste instantie werd afgeschilderd als een bruut monster die gewetenloos kinderen vermoordt, draait dit langzaam naar het idee, dat hij zelf slachtoffer is en van daaruit zijn daden heeft gepleegd. Het Duitse blad Der Spiegel heeft hier een groot aandeel in. Na de rechtszaak tegen Jürgen publiceren zij meerdere interviews met mensen die hem kenden en een beeld schetsten van zijn leven.
Twee jaar na zijn veroordeling gaan zijn advocaten in hoger beroep. In hun ogen is er tijdens zijn rechtszaak te weinig aandacht geweest voor zijn persoonlijke omstandigheden. Ook geven ze aan dat hij zijn eerste moord pleegde toen hij vijftien jaar oud was en hij dus berecht zou moeten worden volgens het jeugdstrafrecht. Dat zou inhouden dat zijn straf meer gericht zou zijn op rehabilitatie. Dit heeft effect. In 1971 wordt zijn zaak toegewezen aan de jeugdrechtbank in Düsseldorf, waar de zaak opnieuw bekeken wordt. Er is nu meer aandacht voor zijn jeugd en hoe hij tot zijn daden is gekomen. Jürgen wordt veroordeeld tot tien jaar jeugddetentie en een verplichte behandeling in het Heil- und Pflegeanstalt Eickelborn, een forensisch psychiatrisch kliniek. Hier zal hij worden behandeld, tot psychiaters ervan overtuigd zijn, dat hij geen gevaar meer is voor de samenleving.
Tijdens zijn verblijf in de instelling krijgt hij een brief van Gisela Deike. Gisela is zestien jaar als in 1966 hoort over de arrestatie van Jürgen. Ze knipt elk artikel uit de krant dat over hem gaat. Ze vindt het fascinerend, dat een jongen die zo beleefd is en er zo normaal uitziet zulke daden kan hebben gepleegd. Vier jaar later, in 1970, schrijft ze hem een brief. Ze krijgt een brief terug waarin Jürgen haar vriendelijk bedankt voor de brief, maar geen verdere correspondentie wil. Toch blijft Gisela schrijven. Drie jaar lange schrijven ze elkaar, totdat ze elkaar in 1973 voor het eerst ontmoeten in de psychiatrisch kliniek. Bij de derde ontmoeting vraagt Jürgen haar ten huwelijk. Ondanks dat haar ouders het afkeuren trouwen ze in januari 1974. De kliniek staat niet toe, dat ze fysiek contact met elkaar hebben, ook niet als ze eenmaal getrouwd zijn.
Ondertussen merkt Jürgen, dat hij nog steeds een dwang voelt om jonge jongens te misbruiken. Hij heeft vele therapieën gevolgd, medicatie geprobeerd en vele gesprekken gehad met psychiaters en psychologen. Niets heeft geholpen. Zo lang hij deze dwang heeft, zal hij niet worden vrijgelaten. Nu hij Gisela heeft ontmoet en met haar getrouwd is, heeft hij een extra reden om graag weer vrij te willen komen. Hij stelt voor om een hersenoperatie te ondergaan, waardoor zijn impulsen wellicht zouden afnemen. Dit wordt door de autoriteiten afgewezen. Het enige wat hij kan doen om zijn impulsen af te laten nemen is castratie.
Op 28 april 1976 is het zover. Jürgen zal worden gecastreerd in het Landeskrankenhaus Eickelborn. In die tijd is het in kleinere ziekenhuizen heel normaal, dat er bij operaties niet altijd een anesthesist aanwezig is. Dan wordt de verdoving onder verantwoordelijkheid van de chirurg toegediend door een verpleegkundige. Dit gebeurt ook bij de operatie van Jürgen. Hij krijgt het narcose-middel halothaan toegediend. De verpleegkundige dient dit toe met een verdamper. Pas later wordt duidelijk, dat de verpleegkundige een verkeerde verdamper heeft gebruikt, eentje die niet geschikt is voor halothaan. Hierdoor krijgt Jürgen dertien keer meer halothaan binnen, dan gebruikelijk. Dit overleeft hij niet. Hij sterft op 29-jarige leeftijd op de operatietafel. Jürgen Bartsch wordt begraven in een anoniem graf in Essen.
Aanbevolen
In deze video is het volledige politieverhoor weergegeven na de arrestatie van Jürgen Bartsch. In onze podcast hoor je over het leven en de moorden van Jürgen Bartsch.
